 |
Energie
kan je meten in de vorm van calorieën. Vet bevat bijvoorbeeld
9 kilocalorie per gram, koolhydraten en proteïnen ongeveer
4 kilocalorie per gram. Hoewel vezels
geen energie bevatten zijn ze wel belangrijk
bij het transport van het verteerde voedsel door je lichaam en
nuttig om in je darmen te hebben. Er zijn aanwijzingen dat vezels
ook helpen bij het activeren van de bacterien die helpen bij het
verteren van je voedsel. Daarnaast geven ze je natuurlijk een
vol en voldaan gevoel.
Je lichaam kan tenminste drie typen
brandstof maken uit je voedsel: Vetzuren,
Glucose en Aminozuren. De omzetting
van ingrediënten naar brandstoffen zijn als volgt:
- Vet -> vetzuren
- Vezel -> gebruikt voor de uitscheiding
van ingrediënten
- Lange koolhydraten -> kortere koolhydraten
-> glucose
- Kortere koolhydraten ('suikers') ->
glucose
- Proteïnen -> Aminozuren
Je voorraad aan brandstoffen:
VETZUREN: Bijna
alle cellen in je lichaam kunnen vetzuren opslaan. Ze kunnen ook
direct via de bloedbaan getransporteerd worden, zonder dat ze
daarvoor hoeven te worden omgezet. Als blijkt dat je niet genoeg
cellen hebt om alle vetzuren op
te slaan, kan je lichaam eenvoudig
zogenaamd vetweefsel aanmaken.
Dit weefsel zit onder andere rond je heupen en je maag. Vetweefsel
kan vetzuren opslaan in de vorm van triacylglycerol.
Je lichaam slaat op basis van vetzuren
makkelijk tientallen kilo's vet op.
En aangezien een kilo vetweefsel een volwassene voor meerdere
dagen van energie kan voorzien, heeft de gemiddelde westerse mens
genoeg energie om minstens een maand te overleven. Iemand met
fors overgewicht draagt vaak genoeg energie mee om een aantal
maanden te overleven!
GLUCOSE: Glucose
is een klein molecuul dat zich eenvoudig van cel naar cel kan
verplaatsen. Op deze manier wordt het eenvoudig getransporteerd.
Deze beweeglijkheid helpt niet bij het opslaan van glucose, dus
daarvoor wordt het omgezet in een andere stof, glycogeen. Glycogeen
is in feite een molecuul dat bestaat uit een flink aantal van
de kleinere glucosemoculen. Je kan het zien als een container
met glucose, die efficiënt opgeslagen kan worden.
Suikers
worden in de vorm van glycogeen
opgeslagen in de lever
en in de spieren,
die ook allebei in staat zijn om glucose in glycogeen om te zetten.
De lever is ook in staat om glycogeen
in glucose om te zetten, de spieren
echter niet. Die zijn wel in staat om glycogeen direct te benutten,
of om het in de bloedstroom los te laten, waardoor het naar de
lever kan stromen.
Opvallend is dat je maar weinig
suikers kan opslaan. Via je voeding
opgenomen glucose en korte koolhydraten (zoals de suiker in je
koffie) worden vrijwel direct in de bloedstroom opgenomen. Hoewel
dit ervoor zorgt dat je lichaam hier meteen over kan beschikken,
wordt de dosis
glucose die je bloed kan bevatten ook snel
overschreden.
Mensen met een normaal gewicht hebben gemiddeld
5 gram glucose in hun bloed. Een hoeveelheid
van meer dan 10 gram glucose in je bloed wordt als teveel gezien,
en afgevoerd. Een gemiddelde chocoladereep
bevat ongeveer 30 gram suiker, zodat je lichaam daar flink wat
van moet afvoeren. Als er meer dan
10 gram glucose via je voedsel in je bloed terecht komt, zorgt
je lichaam ervoor dat er insuline
wordt geproduceerd. Insuline zorgt
ervoor dat je lever en spieren glucose uit je bloed gaan opnemen.
Daarnaast zorgt het ervoor dat alle
delen van je lichaam die glucose als bron van energie kunnen gebruiken,
dit ook gaan doen. Hierdoor vermindert de behoefte aan vet (vetzuren)
als brandstof en zal er minder vet verbrand worden.
Buiten de bloedbaan kan je lichaam ongeveer 150 gram glucose opslaan,
afhankelijk van je gewicht en conditie. Glucose
is door de hoge transportsnelheid en
de lage hoeveelheid die er in opslag beschikbaar is een korte-termijn
brandstof. Waar je lichaam voor minstens een maand aan energie
in vetweefsel kan opslaan, verbruik je de gehele glucosevoorraad
in je lichaam in ongeveer 1 dag.
Lange koolhydraten kunnen niet via de bloedbaan vervoerd worden
en moeten dus eerst worden omgezet in glucose. Dit duurt enige
tijd, wat er voor zorgt dat je bloedbaan niet overspoeld wordt
met glucose.
PROTEÏNEN & AMINOZUREN:
proteïnen en aminozuren komen voor in je hele lichaam, in
samengepakte hoeveelheden of direct beschikbaar. Ze kunnen worden
gebruikt bij de vorming van cellen in je lichaam of ter ondersteuning
van allerlei processen. Proteïnen worden in je darmkanaal
afgebroken tot aminozuren, en via de lever in je bloedbaan gebracht,
of opnieuw tot proteine opgebouwd. Vergeleken met glucose zijn
er op een gegeven tijdstip veel proteïnen beschikbaar. Alleen
je bloed bevat al grofweg 100 gram proteïnen.
Waar glucose en vetzuren
vooral nuttig zijn als energiedrager
kennen aminozuren massa's toepassingen. Je zou zelfs kunnen stellen
dat je een combinatie van aminozuren 'bent', omdat ze onder andere
je DNA vormen, naast een aantal andere interessante dingen. Aminozuren
kunnen ook als brandstof worden gebruikt.
Van brandstof naar energie:
Nadat de ingrediënten uit het voedsel zijn omgezet in brandstof
en opgeslagen in je lichaam, zijn ze beschikbaar voor verbranding
of omzetting. Het energieverbruik van je lichaam is niet vast.
Dit hangt af van de 'houding' die door je stofwisseling gekozen
wordt, je activiteiten en je lichaamsbouw.
Je lichaam maakt nauwelijks direct gebruik van de eerder genoemde
brandstoffen. De meeste processen maken gebruik van de energie
die vrijkomt bij een ander proces, namelijk de omzetting van ATP
in ADP. Simpel gezegd: ATP
is de brandstof en ADP
is wat er onstaat bij de verbranding van ATP.
De eerder genoemde brandstoffen zijn als het ware alleen geschikt
voor ruilhandel, en de ATP is zoals de euro overal uitgeefbaar.
Om de drie typen brandstoffen te kunnen gebruiken moeten ze dus
worden omgezet in ATP. Een vervelende omzetting is: van
glucose naar glycogeen naar vetweefsel, dit
komt voor als de inname van suikers je opslagcapaciteit overstijgt.
Het Energieverbruik:
Nu we weten dat je lichaam gebruikt maakt van ATP als universele
energiebron, en nu we weten hoe dit uit voedsel gevormd kan worden,
kunnen we naar een aantal grote vragen over stofwisseling gaan
kijken. Eén van die vragen, en wellicht de meest interessante,
is 'Hoe komt het dat ik honger krijg,
terwijl ik toch zeker weet dat ik overgewicht heb?' Waar
gebruik je de energie voor?
Je gebruikt energie als je lichamelijk werk doet, dat spreekt
voor zich. Echter, de meeste energie gebruik je zonder het te
weten. Deze energie is nodig eenvoudig om in leven te blijven,
en hoeveelheid die je daarvoor nodig hebt noemt men de Basic
Metabolic Rate (BMR) oftewel het basistempo
van je stofwisseling.
Het lichaam gebruikt onder andere energie om je bloed rond te
pompen. Elk uur pompt je lichaam 80 liter bloed door je nieren,
en dat is erg veel. Verder heb je energie nodig om je lichaam
op temperatuur te houden, en je hebt natuurlijk je hersenen. Die
hebben altijd veel energie nodig, zelfs wanneer je niet denkt.
Het daadwerkelijk doen van dingen levert eigenlijk weinig extra
energieverbruik op, zeker in vergelijking met je BMR. Je kan met
behulp van oefeningen eenvoudig je
BMR verhogen, op een manier die je
weinig energie kost. De winst zit hem in de extra lichaamsinfrastructuur
die je ervoor opbouwt en in stand moet houden - die kost vanaf
dat moment 24 uur per dag meer energie.
Energie kan niet altijd en overal gevormd worden. Je lichaam geeft
het ook niet altijd en overal op dezelfde wijze uit, maar hanteert
hiervoor een aantal strategien. Deze strategie lijkt erg op die
voor laptops gebruikt wordt - zo
lang mogelijk doen met de beschikbare energie.
Het komt erop neer dat je lichaam
veel energie verbruikt als het in overvloed is,
en in spaarstand gaat als het denkt
dat er weinig energie is. Je lichaam
zeurt ook als snel om meer energie als er genoeg beschikbaar is
(gezien het snelle verbruik).
Het lichaam heeft nogal sterke gedachten over energie. Zoals aangegeven
draagt een volwassene genoeg energie mee om een maand te kunnen
overleven, en de meesten zelfs veel meer dan dat. Hoewel overleven
een groot woord is, kan je er vanuit gaan dat het mogelijk is
om minstens een week niet te eten
zonder het functioneren van de stofwisseling in je lichaam zwaar
te belasten. Maar toch is het zo dat als je de lunch overslaat,
je tegen etenstijd het gevoel hebt dat je sterft van de honger.
Dat is nu de strategie van je lichaam.
Het lichaam blijkt erg gehecht aan
z'n energievoorraden. Dit gaat zo ver
dat veel mensen overgewicht opbouwen, en zich nog steeds hongerig
voelen na het missen van een maaltijd.
De strategie van je lichaam bepaalt hoe energie wordt verbruikt,
en hoe dit in de vorm van voedsel wordt opgenomen. Met name dit
laatste is cruciaal. Als je
lichaam te weinig heeft van één van de typen brandstof,
stuurt het een signaal dat je moet eten.
Dit is ook het geval als je lichaam het brandstoftekort eenvoudig
met wat omzettingen zou kunnen oplossen. Divers en gevarieerd
eten is dus HEEL belangrijk om je niet hongerig te voelen.
|
 |